فَمَا بَكَتْ عَلَيْهِمُ السَّمَاءُ وَالْأَرْضُ وَمَا كَانُوا مُنْظَرِينَ
Keyzer
Hemel noch aarde hebben om hen geweend; en zij verkregen geen uitstel.
Leemhuis
De hemel schreide niet over hen, noch de aarde. Aan hen werd geen uitstel meer verleend.
Siregar
De hemel en de aarde huilden niet om hen, en hun werd geen uitstel gegeven.